bureau van der Laan | architectuur + bouwtechniek

Onze manier van werken

De architectuurtheorie van de Bossche School, die voor ons een voortdurende inspiratiebron en toetssteen is, is door de Benedictijner monnik Dom Hans van der Laan ontwikkeld in het kader van de Cursus Kerkelijke Architectuur (Kruithuis ’s–Hertogenbosch, 1946 – 1973) en door hem vastgelegd in "De Architectonische Ruimte", uitg. Brill, Leiden 1977.
In deze theorie zijn van essentieel belang de begrippen ruimte, vorm en grootte in hun onderlinge samenhang. Eerst wordt een binnenruimte bepaald door zijn wanden, als afscheiding van die ruimte met zijn omgeving. Die wanden kunnen zich pas manifesteren en zichtbaar worden als de dikte, de derde dimensie, te voorschijn komt en een rol gaat spelen. Dit doet zich voor in de raam- en deuropeningen of, als de wand nog verder is opengewerkt, in de resterende wandstukken, zoals kolommen en penanten. Doordat vervolgens de afmetingen van die openingen en wandstukken in bepaalde verhoudingen tot elkaar staan, worden ze herkenbaar en verstaanbaar. Zo kan je tenslotte zeggen, dat ruimte, vorm en grootte in de architectuur met elkaar in een oorzakelijk en zinvol verband staan, indien de vormen van de massieve elementen die onze leefruimten omheinen, worden opgeroepen en verbeeld door afleesbare maten die met die ruimte, maar ook onderling vergeleken kunnen worden.

opvattingen

dom hans van der Laan - 1982


De grootte van de dingen

Bij het zoeken naar de onderlinge verhoudingen tussen de afmetingen van die elementen is een van de eerste problemen dat een afzonderlijke maat op het zicht, zonder nameten, niet exact te identificeren is en slechts betekenis heeft, omdat hij behoort tot een groep maten van een bepaalde typerende grootte.

Aan de hand van een hoop grint is dit uit te leggen. In een hoop grint lijken alle stenen even groot, hetgeen feitelijk gesproken niet zo is. We zeggen dan, dat al die stenen in zo'n groep van dezelfde grootte zijn. In dat woordgebruik is grootte geen enkelvoudige, direct benoembare afmeting, maar een z.g. type van grootte, dat een samenhangende groep van 3-dimensionale groottes vertegenwoordigt. Hetgeen echter wel exact te bepalen is, zijn de onder- en bovengrenzen van zulke groepen, de z.g. drempelmaten. Deze hebben steeds, of het nu om grote of kleine objecten gaat, een vaste verhouding tot elkaar, de grondverhouding van ongeveer 3:4.

Bij het ontwerpen van gebouwen, waar zich een veelheid van materiaalkeuzes en groottebepalingen voordoet, kiezen we de groottes om architectonische redenen omwille van hun herkenbaarheid bij voorkeur zodanig, dat ze exact hetzelfde of juist herkenbaar verschillend zijn van elkaar. D.w.z. we gebruiken de drempelmaten van de opeenvolgende groepen in hun karakteristieke onderlinge verhoudingen als een beperkt aanbod van concrete groottes, met de bedoeling, dat alle zichtbare vormen een onderlinge verwantschap en samenhang te zien zullen geven. Daarbij fungeert het relatief kleine onderscheid, dat waarneembaar is tussen twee op elkaar volgende drempelmaten van een type van grootte als de niet verder te verkleinen eenheid voor een reeks van acht bij elkaar horende maten, die elkaar in de grondverhouding opvolgen als de tonen van een octaaf. Deze reeks noemen we de orde van grootte en de eenheid, zijnde het verschil tussen de grootste en de op een na grootste maat, is dan 1/7 deel van de grootste maat.

Een gebouw omvat in het algemeen meerdere opeenvolgende ordes van grootte, waarbij steeds de eenheden, als de overgangsmaten van die ordes van grootte, helderheid verschaffen over de ruimtelijke structuur. De absolute grootte van de eenheden worden bij elk bouwwerk opnieuw gekozen aan de hand van gebruikseisen, van geschikte materialen en constructies en de gewenste inpassing in de schaal van de reeds bestaande omgeving.

de grootte van de dingen


De vorm van de wand

De wanden, die onze woonruimtes omringen bestaan uit elementen, die in drie dimensies door ons kunnen worden waargenomen. In hun breedte of lengte, naargelang de kijkrichting, in hun hoogte en in hun dikte.
Die waarneming van de wand is echter pas mogelijk als de wand openingen heeft, zodat de dikte zich daadwerkelijk vertoont en ook slechts indien de wand een ritmering krijgt van wandstukken, die de uiterste grens van ongeveer 1:7 tussen dikte en breedte niet overschrijdt. De wand is dan vertaald in voor ons verstaanbare vormen, met steeds drie afmetingen, in allerlei variaties, zuiver afgestemd op de grenzen van de genoemde ordes van grootte van 8 maten.

Het openen en ritmeren van de wanden in traveeën kan op twee verschillende manieren gebeuren. Een eerste, heel directe manier is het maken van raam- en deuropeningen. De wand wordt voor ons zichtbaar door zijn beperkte openingen maar behoudt zijn dichte karakteristiek. Het gat in de wand maakt de wand tot wand.
Vervolgens echter gebeurt er bij verder vergroten van deze openingen iets vreemds. Bij een bepaalde grenswaarde gaan niet de gaten de aandacht opeisen, maar de overgebleven massieven, die dan kolommen, lateien enz. gaan heten.

Bij deze tweede manier om wanden te vormen is er op paradoxale wijze sprake van open wanden, die ondanks hun openheid toch als ruimtebegrenzing volledig blijven functioneren. Daarbij zijn het dan niet de gaten in de wand, die de wand als wand zichtbaar maken, maar de overblijvende massieven. Zo kunnen de wanden die we nodig hebben om onze ruimtes af te bakenen en zichtbaar te maken, met hun drie dimensies een expressieve opeenvolging en afwisseling van bij elkaar passende vormen te zien geven, zoals dat met klank en ritme in een muzikale compositie het geval is.

de vorm van de wand, de aandacht verlegd


De oorsprong van de ruimte

De geleding van de wanden in traveeën met open en dichte delen, die vorm krijgen binnen de maatgrenzen van een orde van grootte, heeft ook gevolgen voor de ruimtes die ermee omheind worden.

De maat van een eerste kleine ruimte, die nog juist vergelijkbaar is met de dikte van de wanden eromheen kan in eerste instantie niet groter zijn dan die uiterste grens van dat architectonische octaaf van 1:7. Zo’n ruimte zal zich dus voordoen als behorend bij zijn eigen wanddikte en aldus een prototype van binnenruimte, een z.g. cella formeren.
Zo'n binnenruimte manifesteert zich altijd ten opzichte van een of andere buitenruimte, die zich eromheen kan bevinden, maar ook ernaast, of als relatief open ruimte tussen meerdere van die cella's. Diverse posities en schakelingen van de cella's en de grotere ruimtes, die eraan worden gekoppeld, leveren zo een heel scala van ruimtelijke mogelijkheden op van binnen- en buitenruimten ten opzichte van elkaar en van de directe omgeving.

Deze ruimtelijke relaties vormen de grote thematische lijnen in een architectonische compositie.

de oorsprong van de ruimte


Een gerichte aanpak

Het bijzondere van de architectuur, die op basis van deze uitgangspunten gegenereerd kan worden, is gelegen in de heel primaire drievoudige zeggingskracht van ruimte, vorm en grootte, als die in elkaars verlengde komen te liggen en een zekere methodische analogie gaan vertonen.
Daarvoor is een evenwichtige verdeling van de aandacht over drie ervaringsniveaus van essentieel belang. Met andere woorden: het ervaren van de beschutting van een binnenruimte ten opzichte van een bijbehorende buitenruimte kan ondersteund worden door een heldere transparante ruimtewerking tussen meer open, dan wel meer dichte wanden, precies hoe en waar dat op z'n plaats is, in allerlei nuanceringen.
Vervolgens kun je de vormen van de wand waarnemen en herkennen, gekarakteriseerd door diverse combinaties van afmetingen in drie dimensies binnen de speelruimte van hun vergelijkbaarheid. En tenslotte spitst de expressiviteit van het totale procédé zich toe op de exacte bepalingen van een helder gearticuleerd maatsysteem, waardoor de meer globale indrukken van ruimte en vorm in de architectuur hun kracht en bevestiging vinden in de juiste maat op de juiste plaats.

Een architectuur op deze manier is een poging om ruimtes tot stand te brengen, die op een poëtische manier volledig beleefbaar zijn door de vormentaal van de wanden in een bewuste en nauwkeurige maatbepaling.

Als dat een enkele keer echt goed lukt, merk je dat er eigenlijk niet veel meer nodig is dan juist dat.

een gerichte aanpak